Bodemsanering

Wijziging Bodemdecreet: moedervennootschappen mee verantwoordelijk voor bodemsanering?

7 juli 2026

In de Ministerraad van 26 juni 2026 werd door de Vlaamse Regering een wijziging aan het Bodemdecreet goedgekeurd met het oog op een verdere versterking van de garanties voor de uitvoering en financiering van de wettelijke saneringsplicht.

De wijziging bevat twee gerichte maatregelen:

  • Moedervennootschappen kunnen onder bepaalde voorwaarden als medesaneringsplichtige worden aangeduid wanneer hun saneringsplichtige dochtervennootschap onvoldoende financiële draagkracht heeft.  
  • De Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (OVAM) krijgt bijkomende invorderingsbevoegdheden om de verplichting tot het stellen van financiële zekerheden af te dwingen via een uitvoerbaar dwangbevel, met onder meer de mogelijkheid van beslag, een algemeen voorrecht en een wettelijke hypotheek. 

Moedervennootschap als medesaneringsplichtige 

De belangrijkste wijziging betreft de mogelijkheid voor de Vlaamse Regering om een moedervennootschap als medesaneringsplichtige aan te duiden. Voor het begrip "moedervennootschap" sluit het ontwerp expliciet aan bij het Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen. 

Volgens de memorie van toelichting wil de decreetgever met de maatregel voorkomen dat omvangrijke saneringskosten uiteindelijk door de overheid moeten worden voorgeschoten indien de reeds aangeduide saneringsplichtige nalaat om uitvoering te geven aan zijn verplichting. 

De wijziging wordt uitdrukkelijk verantwoord vanuit het beginsel "de vervuiler betaalt". Het kan volgens de decreetgever niet de bedoeling zijn dat de OVAM de sanering ambtshalve moet uitvoeren en financieren met publieke middelen wanneer een insolvabele saneringsplichtige dochtervennootschap (bv. een sterfhuisconstructie) deel uitmaakt van een ondernemingsgroep die wel over financiële middelen beschikt. 

De maatregel kan slechts worden toegepast wanneer aan twee cumulatieve voorwaarden is voldaan: 

  1. Er moet sprake zijn van een grootschalige ernstige bodemverontreiniging waarvoor de saneringsplicht van de dochtervennootschap vaststaat. 

    De kwalificatie van een bepaalde bodemverontreiniging als ‘ernstige bodemverontreiniging’ impliceert noodzakelijkerwijze dat er een impact van deze bodemverontreiniging op de volksgezondheid of het leefmilieu is. ‘Grootschaligheid’ kan functioneel worden beoordeeld aan de hand van samenlopende of alternatieve criteria, zoals onder meer de ruimtelijke spreiding van de verontreiniging, de financiële orde van de grootte van de sanering en de maatschappelijke impact ervan. De regeling zal gelden voor zowel historische als nieuwe bodemverontreinigingen. 

     

  2. Er moeten duidelijke aanwijzingen bestaan dat de dochtervennootschap niet over voldoende middelen beschikt om de sanering en eventuele nazorg te financieren.

    Volgens de decreetgever kunnen dergelijke aanwijzingen blijken uit verifieerbare gegevens zoals onder meer negatieve eigen vermogens of structurele liquiditeitsproblemen, lopende insolventie- of herstructureringsprocedures, het niet kunnen stellen van vereiste financiële zekerheden, het niet aanleggen van de noodzakelijke voorzieningen of andere concrete omstandigheden die aantonen dat de dochtervennootschap de sanerings- en nazorgverplichtingen niet kan dragen.

Verder wordt uitdrukkelijk aangegeven dat de mede-saneringsplichtige moedervennootschap (of haar rechtsopvolgers) niet van haar saneringsplicht kan worden vrijgesteld aangezien de saneringsplicht in hoofde van haar dochtervennootschap al vaststaat. 

Opvallend is dat de Vlaamse decreetgever de regeling onmiddellijk in werking wil laten treden. Zij zal niet alleen van toepassing zijn op nieuwe dossiers, maar ook op lopende saneringstrajecten waarin reeds een beschrijvend bodemonderzoek werd uitgevoerd of waarin de saneringsplicht reeds werd vastgesteld, voor zover het bodemsaneringsproject, de bodemsaneringswerken of de nazorg nog niet volledig werden uitgevoerd.

Versterkte uitvoeringsbevoegdheden voor de OVAM 

Daarnaast krijgt de OVAM een bijkomend instrument om de verplichting tot het stellen van financiële zekerheden af te dwingen. Indien een verplichtinghouder de vereiste financiële zekerheid niet stelt, zal OVAM het bedrag daarvan kunnen invorderen via een uitvoerbaar dwangbevel. Dit dwangbevel kan aanleiding geven tot gedwongen tenuitvoerlegging en beslag. 

De OVAM zal bovendien beschikken over een algemeen voorrecht op de roerende goederen van de schuldenaar en kan desgevallend een wettelijke hypotheek vestigen.

Vervolgtraject

Het gaat voorlopig nog om een ontwerpdecreet. Alvorens het verdere parlementaire traject wordt doorlopen, zal het ontwerp nog voor advies worden voorgelegd aan de Afdeling Wetgeving van de Raad van State. 

Vragen? Neem gerust contact op met ons team Omgevingsrecht.